Onderaan de metalen trap ligt hij, Abdul. Hij is nauwelijks aanspreekbaar. Over de portofoon kwam onze spoedoproep. Samen met de verpleegkundige en de assistente ben ik gaan hollen. De spoedtas komt met een doffe plof op de grond en zo snel als wij kunnen pakken we de spullen die we nodig hebben. Ook de AED ligt klaar. Allemaal mensen praten door elkaar heen, in grote getale zijn de bewoners hun kamers uitgekomen om te zien wat er aan de hand is. Er is chaos, niemand weet wat er precies is gebeurd. In een mengeling van Engels, Nederlands en Arabisch vertellen mannen mij dat Abdul lag te schudden, anderen weer dat hij is flauwgevallen. Er is zoveel herrie dat ik nauwelijks zijn hart kan horen kloppen door mijn stethoscoop. Hij is jong, 17 pas. Ik vraag aan de BHV-ers om zo snel mogelijk de ruimte leeg te maken, ik bel een ambulance en probeer ondertussen, samen met de verpleegkundige om alle vitale functies in de gaten te houden. De assistente loopt terug naar onze dokterspost om in de computer te kijken wat wij van Abdul weten. Binnen korte tijd komt ze terug, een uitdraai in haar hand. Hij heeft geen medische voorgeschiedenis, hoewel er vorige week ook een incident geweest is waarbij gedacht werd dat hij epilepsie had. De grote vraag die mij steeds bezig houdt is of hij ook van de trap gevallen is, niemand kan het mij vertellen.
Als de ambulance arriveert is de binnenplaats waar wij ons bevinden behoorlijk leeg geveegd door de BHV van het COA. De samenwerking loopt goed. Abdul wordt meegenomen naar het ziekenhuis, we vinden een andere bewoner die mee kan om te vertalen. Abdul is eerder dit jaar alleen naar Nederland gekomen in de hoop dat er (op den duur) gezinshereniging zal plaatsvinden.
Als we terug zijn op onze dokterspost maken we een kop thee en gaan even met elkaar zitten om te bespreken wat er gebeurd is en hoe iedereen dat heeft ervaren. Het is lastig als je erg weinig over iemand weet, terwijl je wel weet dat elke vluchteling een verhaal heeft. Verhalen die wij misschien liever niet horen. In economische vluchtelingen op de plek waar ik werk geloof ik niet, daar zijn de verhalen die ik hoor te erg voor. En natuurlijk kunnen we heel gefrustreerd doen en boos, maar daar koopt niemand wat voor. Elk mens wil gezien worden en zich veilig voelen. Abdul van 17, onderaan een metalen trap, nauwelijks reagerend op de omgeving, moederziel alleen in een vreemd land met zoveel onzekerheden.
Mijn zoon is net 18. Hoe zou het andersom zijn, als mijn zoon ver weg was en dit gebeurde? Wat zou ik willen dat anderen voor hem deden?
Een dag per week werk ik als huisarts op het asielzoekerscentrum, dat maakt mij nederig en dankbaar voor de meest kleine dingen.
(AED = automatische externe defibrillator COA = centraal orgaan opvang asielzoekers BHV = bedrijfshulpverlener)